Over de dood en opstanding van Christus

G. Over de dood van Christus

Hij had geen geweld gepleegd, en er was geen bedrog in Zijn mond (Js. 53:9). Hij had geen overtredingen begaan en had nooit enige zonde begaan. Niettemin onderdrukten de mensen Hem, vervolgden Hem en doodden Hemzelfs. “Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open” (Js. 53:7; Mt. 27:12-14). Toen Hij werd veroordeeld, had Hij een rechtvaardige en goede reden om de mond van de valse aanklagers te snoeren, maar Hij bleef zwijgen, als een schaap dat naar de slachtbank wordt geleid; want Hij was vastbesloten Zichzelf niet te redden, opdat wij gered zouden worden.

Toen Hij stierf, werd Hij tot de overtreders gerekend, maar toch pleitte Hij voor hen (Js. 53:12; Lc. 23:32-34). Het kwade voornemen van de mens was dat Hij bij de goddelozen begraven zou worden, maar Gods plan was dat Hij bij de rijken begraven zou worden (Js. 53:9; Mt. 27:57-60). Het jaar waarin Hij stierf was het zevende jaar van de negenenzestigste week nadat het bevel was gegeven om Jeruzalem te herbouwen. Hiermee werd de profetie in het boek Daniël vervuld betreffende het afsnijden van de Messias (Da. 9:25-26).

De reden waarom Hij werd gekweld en ter dood gebracht, was omdat God wilde dat Hij onze zonden zou dragen. De Heer heeft de ongerechtigheid van ons allen op Hem gelegd (Js. 53:6). "Het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben...” (Js. 53:10, STV). Daarom werd Hij afgesneden en geslagen omdat Hij onze zonden droeg (Js. 53:8). Hij werd doorboord om onze overtredingen, Hij werd verbrijzeld om onze ongerechtigheden, opdat wij vrede zouden hebben door Zijn tuchtiging, en door Zijn striemen zouden wij genezen worden (Js. 53:5). Hij werd voor ons getuchtigd, opdat wij met God verzoend zouden worden. De rechtvaardige God kan geen aanspraak meer op ons maken. Hij werd voor ons gekneusd opdat onze geest genezen en tot nieuw leven gewekt zou worden.

Het tafereel en de pijn van Zijn doodslijden worden uitvoerig beschreven in een van de psalmen van David (Ps. 22:1, 7-8, 12-18). Hier beschrijft de Geest van Christus, in Christus’ eigen woorden, zowel het angstaanjagende tafereel om Hem heen als Zijn pijnlijke gevoelens, zowel innerlijk als uiterlijk. Hij zegt dat woeste, kwaadaardige mannen, als sterke stieren, Hem omsingelden en Hem van alle kanten belaagden. Ze staarden Hem met open mond aan, als een verslindende en brullende leeuw. Allen die Hem zagen, lachten Hem uit; ze trokken de lippen op en schudden het hoofd, zeggende: Hij vertrouwde op de Heer dat Hij Hem zou verlossen; laat Hem Hem dan verlossen, aangezien Hij behagen in Hem had (verw. Mt. 27:39-40, 43). Op dat moment, omdat Hij onze zonden droeg, verliet God Hem; Hij riep toen uit en zei: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?” (Mt. 27:46). Toen Hij Zijn leven gaf, werd Hij uitgestort als water. Hij hing enkele uren aan het kruis, zodat zelfs Zijn beenderen uit de gewrichten raakten en Hij al Zijn beenderen kon tellen. Omdat Hij het oordeel van God voor ons onderging en verteerd werd door de toorn van God, was Zijn hart als was gesmolten in het midden van Zijn ingewanden, en Zijn kracht was verdroogd als een potscherf. Zijn pijn was zo hevig dat zelfs Zijn tong aan Zijn kaken kleefde. Ten slotte zei Hij dat God Hem in het stof van de dood had gebracht. De goddelozen omsingelden Hem als honden; zij doorboorden Zijn handen en Zijn voeten en keken en staarden naar Hem. Zij verdeelden ook Zijn kleren onder elkaar en wierpen het lot over Zijn gewaad (Mt. 27:35).

H. Over de opstanding van Christus

Nadat Christus was begraven, heeft God Hem op de derde dag uit de dood opgewekt (Hos. 6:2; 1 Kor. 15:4). Omdat Hij de Heilige van Jehova is, zou God Zijn ziel niet in de hel laten, noch toestaan dat Hij het verval zou zien (Ps. 16:8-11; Hnd. 2:24-31). In de opstanding “Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen” (Js. 53:11, STV). Christus is de opgestane rechtvaardige Dienaar van Jehova. Velen geloven in Hem en worden daardoor gerechtvaardigd. Hij zal de vrucht van Zijn zielenpijn zien en verzadigd worden. Zijn zielenpijn zal een gezamenlijk Lichaam voortbrengen, namelijk de gemeente, met daarin alle verlosten.

"Zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan.“ (Js. 53:10, STV). Het zinsdeel „hij zal zijn dagen verlengen“ betekent dat Hij zal opstaan uit de dood en voor altijd leven. Verder zal Hij Zijn leven aan de mensen uitdelen en hen tot Zijn zaad maken, opdat Hij door hen het welbehagen van de Heer kan vervullen.

In Zijn opstanding werd Christus verwekt als de eerstgeboren Zoon van God (Ps. 2:7; Hnd. 13:33; Heb. 1:5-6; Rom. 8:29). In Zijn goddelijkheid was Christus de eniggeboren Zoon van God van eeuwigheid tot eeuwigheid; maar in Zijn menselijkheid werd Hij door de opstanding de eerstgeboren Zoon van God. Psalm 22:22 zegt: “Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen, in het midden der gemeente zal ik U lofzingen.” Dit betekent dat Hij in Zijn opstanding niet alleen verwekt werd om de eerstgeboren Zoon van God te zijn, maar dat ook wij verwekt werden om de vele zonen van God te worden, Gods leven te hebben en Zijn broeders te worden. Zo kan Hij Gods naam aan ons verklaren en ook God in ons midden loven. Door de opstanding wint Hij mensen om Zijn broeders te zijn en Zijn gemeente te worden. Zo kan Hij God openbaren en God loven in de gemeente.


Comments are closed.

{"email":"Email address invalid","url":"Website address invalid","required":"Required field missing"}
Geoptimaliseerd door Optimole
Malcare WordPress Security