Over de geboorte en het menselijke leven van Christus

E. Over de geboorte van Christus
1. Een maagd die zwanger wordt en een zoon baart

In Jesaja 7:14 openbaart God de belofte van Zijn verlossing nog duidelijker. Aan de ene kant vertelt het ons dat de komende Christus, zoals beloofd in Genesis 3, niet uit een getrouwde vrouw geboren zou worden, maar uit een maagd. Aan de andere kant vertelt het ons ook dat deze Christus, die uit een maagd geboren zou worden om onze Redder te zijn, God is. Hij is “God met ons”, “Immanuël”. Wanneer Hij onder de mensen komt, komt God onder de mensen. Wanneer Hij komt om de Redder van de mens te zijn, komt God om de Redder van de mens te zijn; God Zelf komt uit een maagd om de Redder van de mens te zijn.

2. Een kind is ons geboren en een zoon is ons gegeven

Hoewel deze Christus, die kwam om onze Redder te zijn, "een kind“ was, werd Hij "de sterke God“ genoemd. Hoewel Hij „een zoon“ was, werd Hij „de eeuwige Vader“ genoemd (Js. 9:6). Gods belofte vertelt ons duidelijk dat de komende Christus zowel mens als God is, zowel de Zoon als de Vader. Hij werd een mens; toch is Hij God. Hij is de Zoon, maar Hij is ook de Vader. Hoewel Hij naar de aarde kwam om een pasgeboren kind te zijn, is Hij nog steeds de sterke God die in de hemel is. Hoewel Hij zich in de tijd als de Zoon manifesteerde, is Hij ook de in zichzelf bestaande en eeuwig-bestaande Vader in eeuwigheid.

3. Zijn uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.

Hoewel Hij geboren is in Bethlehem in Juda, ligt Zijn oorsprong in de eeuwigheid (Mi. 5:2). Hij is de eeuwige Vader, maar toch is Hij in de tijd mens geworden. Hij is met zekerheid God, en Hij is ongetwijfeld een mens.

F. Over het menselijke leven van Christus

Het aardse menselijke leven van deze door God beloofde Verlosser werd ons duidelijk in elk aspect in detail voorspeld. Hij werd nederig geboren als een tere plant. Hij kwam uit een arm gezin, als een wortel uit dorre aarde, zonder een rijke voorziening en zonder een comfortabel bestaan. Zo had Hij gestalte noch luister; Zijn gelaat was zo ontsierd, meer dan dat van enig ander mens, en Zijn gedaante meer dan die van de mensenkinderen; en wanneer wij Hem zullen zien, is er geen schoonheid dat wij Hem zouden begeren (Js. 53:2; 52:14; verw. 2 Kor. 8:9b; Mt. 13:55-57). De mensen zouden verwacht hebben dat wanneer de Verlosser kwam, Zijn uiterlijk ongetwijfeld aantrekkelijk voor hen zou zijn, net zoals Mozes en David beiden schoon van uiterlijk waren (Hnd. 7:20; 1 S. 16:12). En toch had Hij geen luister, maar zag Hij er vermoeid en oud uit. Hij was een man van dertig, maar de mensen zagen Hem als een man van vijftig (Joh. 8:57). In werkelijkheid was Hij in alle opzichten lieflijk en geheel en al schoon; maar dit is onzichtbaar voor onze natuurlijke ogen en kan alleen worden gezien door onze geestelijke ogen.

Hij werd een mens van smarten, veracht en verworpen door mensen. Wij keerden als het ware ons gelaat van Hem af, en het volk van God achtte Hem niet (Js. 53:3; Ps. 22:6-7; Lc. 23:11). Het was voorbeschikt dat Hij veracht en verworpen zou worden, dat Hij lijden en tegenspoed zou ondergaan, en dat Hij dagelijks zou treuren om de ziel van de zondaar. Met opofferende liefde kwam Hij Zijn volk zoeken. Maar zij verwierpen Hem en wilden Hem zelfs niet aanzien.

Maar toch gaf Gods Gezalfde de mens niet op. Hij verkondigde het evangelie aan de armen en riep het jubeljaar van de Heer uit (Js. 61:1-2; Lc. 4:18-19). Hij was het grote licht dat scheen over hen die in duisternis en in de schaduw van de dood zaten (Js. 9:2; Mt. 4:15-16). Bovendien zou Hij een licht zijn voor de heidenen, opdat Gods behoudenis tot aan de einden van de aarde zou worden gebracht (Js. 49:6). Hij zou niet strijden of schreeuwen. Een gekneusd riet zou Hij niet verbreken en het rokende vlas zou Hij niet uitdoven (Js. 42:1-3; Mt. 12:17-21). Hij zou niet alleen niet op de straten schreeuwen, maar Hij zou ook het gekneusde riet niet verbreken noch het rokende vlas uitdoven. In de tijd van het Oude Testament hadden de Joodse kinderen de gewoonte om fluitjes te maken van riet. Wanneer een rietje gekneusd was en geen juiste toon meer kon voortbrengen, braken ze het. De Joden maakten ook fakkels met vlas om de olie te verbranden en 's nachts een helder licht te verspreiden. Maar wanneer de olie opraakte, rookte het vlas en kon het niet meer voort schijnen. Dan doofden de mensen het uit en gooiden het weg. De Joden die tegen Christus waren, waren als een gekneusd riet en rokend vlas. Maar Christus was vol ontferming naar hen toe. Hij brak hen niet, en Hij doofde hen niet uit. Hij opende nog steeds de deur van de genade voor hen.


Comments are closed.

{"email":"Email address invalid","url":"Website address invalid","required":"Required field missing"}
Geoptimaliseerd door Optimole
Malcare WordPress Security