III. In Gods schepping is het menselijke leven het hoogste leven
A. De mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis
De mens bezit niet alleen het hoogste leven, maar hij is ook gemaakt in Gods beeld en Gods gelijkenis (Gn. 1:26-27). Naast de mens is er geen ander schepsel dat lijkt op God in beeld en gelijkenis. De mens is de hoogste van Gods geschapen dingen en hij is geschapen in Gods beeld en naar Gods gelijkenis. In Gods schepping is de mens het beste vat door God gereed gemaakt voor Zijn plan. In Zijn plan bepaalde God dat de mens Zijn leven zou bezitten om de broeders van Zijn Zoon te zijn; daarom zorgde Hij ervoor dat de mens, in Zijn schepping, Zijn beeld en gelijkenis zou hebben.
Beeld verwijst naar de innerlijke delen zoals het verstand, het gevoel en de wil. Het verstand, het gevoel en de wil van de mens, die de onstoffelijke mens vormen, werden geschapen in Gods beeld. Daarom lijken de menselijke functies van denken, mening en liefde op die van God.
Het beeld van God verwijst ook naar de kenmerken van Zijn eigenschappen. De meest opmerkelijke eigenschappen van God die in de mens gemanifesteerd worden zijn: liefde, licht, heiligheid en rechtvaardigheid. Toen God de mens schiep, schiep Hij de mens in Zijn beeld, naar de eigenschappen van Zijn deugden, zodat de mens Hem tot uitdrukking kon brengen door deze deugden. Dus heeft de mens het verlangen liefde, licht, heiligheid en rechtvaardigheid te bezitten en soms worden deze deugden tot uitdrukking gebracht in zijn gedrag. Wat de mens heeft is echter slechts het beeld en niet de werkelijkheid. De mens moet God als zijn leven en inhoud ontvangen en dan zullen Gods liefde, licht, heiligheid en rechtvaardigheid de menselijke deugden van liefde, licht, heiligheid en rechtvaardigheid opvullen en verrijken om de werkelijkheid te worden.
Gelijkenis verwijst naar het uitwendige lichaam dat de stoffelijke mens vormt. Het uitwendige lichaam van de mens werd geschapen naar Gods gelijkenis. God heeft Zijn gelijkenis. Voordat God vleesgeworden was om een mens te zijn, verscheen Hij herhaaldelijk aan de mensen in het Oude Testament in de vorm van een mens (Gn. 18:2, 16-17; Ri. 13:9-10, 17-19). De vorm van de mens is de vorm van God, want de mens was geschapen naar de gelijkenis van God.
1. Opdat de mens God tot uitdrukking brengt
Het hoofddoel van Gods herstel en verdere schepping was een mens te hebben, een collectieve mens, om God tot uitdrukking te brengen (Gn. 1:26-27). De mens die God schiep was een collectieve mens. God schiep niet vele mensen. God schiep de mensheid collectief in één persoon, Adam. God schiep Adam en Adam was een gezamenlijke mens, een collectieve mens. Toen Adam werd geschapen, werden wij allen geschapen. Wij werden allen opgenomen in Adam. Daarom zei God in Genesis 1:26 “opdat zij” – één mens, maar het voornaamwoord is zij. Dit bewijst dat deze mens een collectieve mens is. Zoals in dit vers het voornaamwoord "ons" aanduidt dat God drie-enig is, zo duidt het voornaamwoord “zij” aan dat de mens collectief is. God schiep zo’n collectieve mens in Zijn eigen beeld en naar Zijn gelijkenis opdat de mens God Zelf tot uitdrukking zou brengen.
2. Opdat de mens Gods heerschappij zou uitoefenen
God zei: “Laat Ons (de) mens(en) maken naar ons beeld, als Onze gelijkenis, opdat zij heersen.” God schiep een collectieve mens om Zijn heerschappij uit te oefenen (Gn. 1:26-28). Het woord heersen omvat meer dan alleen gezag. Heersen betekent een koninkrijk hebben als een sfeer om daarin gezag uit te oefenen.
a. Om af te rekenen met Gods vijand
Het eerste aspect van Gods voornemen is om af te rekenen met Zijn vijand, af te rekenen met satan, die gesymboliseerd wordt door het kruipend gedierte (Gn. 1:26). In de Bijbel is het kruipend gedierte demonisch, duivels en satanisch. De Bijbel gebruikt een slang om satan te symboliseren (Gn. 3:1). In Openbaring 12:9 wordt satan “de oude slang” genoemd.
In Gods oorspronkelijke schepping had Hij slechts één voornemen – Zichzelf tot uitdrukking te brengen. Maar vanwege de rebellie van satan heeft God nu een ander voornemen – af te rekenen met Zijn vijand. Daarom schiep Hij de mens naar Zijn eigen beeld opdat de mens Hem tot uitdrukking zou brengen en gaf Hij hem heerschappij opdat de mens zou afrekenen met Zijn vijand.
b. Om de aarde te heroveren
Het tweede aspect van Gods voornemen in het geven van heerschappij aan de mens is om de aarde te heroveren (Gn. 1:26-28). De mens moet heersen over de aarde om het te onderwerpen en te veroveren. De aarde veroveren betekent dat de vijand er al is, dat er een oorlog woedt. Daarom moeten we strijden en overwinnen.
c. Om Gods gezag binnen te brengen
Het derde aspect van Gods voornemen in het geven van heerschappij aan de mens is om Gods gezag binnen te brengen, om Gods gezag over de aarde uit te oefenen. De mens moet Gods gezag uitoefenen opdat het koninkrijk van God naar de aarde kan komen, opdat de wil van God op de aarde gedaan kan worden en de heerlijkheid van God op de aarde gemanifesteerd kan worden.
B. De mens is geschapen in drie delen – geest, ziel en lichaam
God schiep de mens in drie delen – geest, ziel en lichaam. God vormde eerst het lichaam van de mens met het stof van de aarde. Daarna blies Hij de adem van het leven in het lichaam van de mens, dit werd de geest in de mens. Toen de geest, de adem van het leven, het lichaam van de mens binnenkwam, werd de ziel voortgebracht. Daarom heeft de mens uitwendig het zichtbare lichaam en inwendig heeft de mens de onzichtbare geest; tussen die twee is de ziel.
Het lichaam is aan de buitenkant om de dingen van de fysieke wereld aan te raken. De geest is aan de binnenkant om de dingen van de geestelijke wereld aan te raken. De ziel, als het medium, is tussen het lichaam en de geest om de dingen van de psychologische wereld aan te raken. Het lichaam heeft verschillende zintuiglijke organen die de materiele dingen kunnen aanraken. De geest heeft de functies van het geweten, de intuïtie en de gemeenschap met God, die de dingen van God en de geestelijke dingen kunnen aanraken. Het verstand van de ziel is het denkorgaan van de mens; de mens denkt en overweegt – dit zijn de functies van het verstand. De wil van de ziel is het orgaan voor het nemen van een beslissing; de mens beslist, oordeelt, stelt voor, kiest en weigert – dit zijn de functies van de wil. Het gevoel van de ziel is het deel dat regeert over het plezier, de boosheid, het verdriet en de vreugde van de mens; de mens heeft lief, haat, is opgewonden, is terneergeslagen – dit zijn de functies van het gevoel. Deze drie – het verstand, de wil en het gevoel – samengevoegd zijn gelijk aan de ziel.
De geest is het diepste deel van ons hele wezen, de ontvanger voor ons om God te ontvangen en het orgaan om God en alle geestelijke dingen aan te raken (Joh. 4:24; Rom. 1:9). Binnenin ons is de gewaarwording van onze behoefte aan God, de gewaarwording en het verstaan van God in ons diepste wezen en de berisping of goedkeuring van ons geweten – dit zijn de functies van de geest. Door de zintuigen van ons lichaam kunnen we de materiele dingen bevestigen; evenzo kunnen we de dingen van God en de geestelijke dingen alleen bevestigen door de geest.
De geest van de mens werd duidelijk gevormd door God (Zach. 12:1; Job 32:8). Zacharia 12:1 zegt dat God de hemel uitspant en de aarde grondvest, en de geest des mensen in diens binnenste formeert. In het universum zijn drie even belangrijke dingen: de hemel, de aarde en de geest van de mens. De hemel is voor de aarde, de aarde is voor de mens en de mens heeft een geest voor God. God schiep de hemel voor de aarde. Zonder de hemel kan de aarde niets voortbrengen. De aarde werd geschapen voor het bestaan van de mens en de mens heeft een geest binnenin hem om God te bevatten. Dus is de mens het middelpunt van Gods schepping en het middelpunt van de mens is zijn geest. Wat God aangaat, als er geen geest binnenin de mens zou zijn, dan zou de mens een leeg omhulsel zijn. Als er geen mens op deze aarde zou zijn, dan zou de aarde ledig zijn en wat de mens aangaat zou de hemel zinloos zijn. Daarom dient de hemel de aarde, de aarde dient de mens en de mens heeft een geest om God te ontvangen.
C. De mens is geschapen goed en oprecht
Prediker 7:29 zegt dat God de mens oprecht heeft gemaakt. Toen de mens voor het eerst uit Gods scheppende handen voortkwam, was hij niet oneerlijk, kwaad of verontreinigd, maar oprecht, goed en zuiver. Op dat moment had hij geen zonde, verval of gebrek. Dus beschouwde God de mens “zeer goed” (Gn. 1:31). Het spreekt vanzelf dat het vat dat de oprechte en goede God had gereedgemaakt voor Zijn heilige en schitterende leven niet kwaad of oneerlijk kan zijn; in plaats daarvan moet het goed en oprecht zijn.
D. Het menselijk leven is slechts een geschapen leven
Hoewel de mens was geschapen in Gods beeld en naar Gods gelijkenis is zijn leven maar een geschapen leven, niet zoals Gods leven dat ongeschapen is. Zoals de mens een geschapen wezen is, is het leven van de mens ook een geschapen leven. De mens heeft een begin en een einde, dus heeft het leven van de mens ook een begin en een einde, niet zoals Gods leven dat zonder begin en zonder einde is, dat van eeuwigheid tot eeuwigheid is. Hoewel het leven van de mens hoog is, is het veel minder dan Gods leven. Gods leven is eeuwig; het leven van de mens is tijdelijk. Gods leven is goddelijk en heerlijk; het leven van de mens is ten hoogste zuiver en goed, maar zonder Gods heerlijke natuur. Hoewel de mens uitwendig de vorm van God heeft en inwendig het beeld van God, heeft hij niet Gods leven binnenin. Hoewel de mens een geest heeft die de mens in staat stelt God te kennen en gemeenschap met God te hebben, heeft de geest van de mens niet Gods leven noch Gods natuur. De mens is slechts een schepsel van God, maar heeft niet het ongeschapen leven van God binnenin.

Comments are closed.