
DE GOD VAN OPSTANDING
"Want wij willen niet, broeders, dat u onbekend bent met onze verdrukking ..., dat wij uitermate bezwaard zijn geworden boven vermogen, zodat wij zelfs aan het leven wanhoopten. Ja, wijzelf hadden het doodvonnis al in onszelf, opdat wij geen vertrouwen zouden hebben op onszelf, maar op God die de doden opwekt" (2 Kor. 1:8-9).
"Maar al raakt ook onze uiterlijke mens in verval, toch wordt onze innerlijke van dag tot dag vernieuwd. Want de kortstondige lichtheid van onze verdrukking bewerkt voor ons een uitermate uitnemend, eeuwig gewicht van heerlijkheid" (2 Kor. 4:16-17).
"Zij tuchtigden ons wel voor weinige dagen, naar het hun goed dacht, maar Hij tot ons nut, opdat wij aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen" (Heb. 12:10).
"Wij weten dat hun die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, hun die naar Zijn voornemen zijn geroepen. Want hen die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn" (Rom. 8:28-29).
"God ... die leven geeft aan de doden" (Rom. 4:17).
"Ik ben ... de Levende, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid" (Op. 1:17-18).
Lijden is het lot van alle aardbewoners. Niemand kan zich daaraan onttrekken. Sommige mensen stellen zich voor dat als je in de Heer gelooft en in Zijn vrees leeft, je immuun zult zijn voor alle kwalen; toch worden vele christenen zwaar getroffen en sommigen die in vitaal contact met God leven, lijden voortdurend.
De ongelovigen blijven vragen: “Als God van de wereld houdt, waarom laat Hij dan al dit verdriet toe?” En zij die gered zijn blijven zich afvragen: "Als God van Zijn kinderen houdt, waarom laat Hij dan toe dat hen zoveel ellende overkomt?" Anderen gaan nog verder en vragen: "Hoe komt het dat hoe geestelijker je wordt, hoe meer tegenspoed je ontmoet?" Dit zijn praktische vragen, geen theoretische spitsvondigheden, en we moeten ze onder ogen zien.
Waarom zou de mens, die door God geschapen is, zijn hele leven lang moeten lijden? Waarom zouden mensen moeten blijven lijden nadat ze kinderen van God zijn geworden? En waarom zou het lijden van de mens moeten toenemen naarmate zijn toewijding aan God toeneemt?
In mijn eerste dagen besteedde ik veel tijd aan het onderzoeken van dit probleem van het lijden; maar omdat mijn kennis van de Heer oppervlakkig was, kon ik alleen deze conclusies uit mijn studies trekken: (1) De mens is geneigd tot dwaling; daarom is lijden noodzakelijk voor zijn correctie. (2) Lijden is nodig als we anderen willen troosten, want alleen zij die zelf geleden hebben, kunnen andere mensen echt helpen. (3) De discipline van het lijden is essentieel als we uithoudingsvermogen willen verwerven, want, zoals Romeinen 5 zegt: "Verdrukking werkt volharding." (4) Lijden is onvermijdelijk als we gekneed willen worden tot vaten die bruikbaar zijn voor God.
Ik geef toe dat deze vier conclusies waartoe ik in mijn jeugd kwam allemaal correct zijn; maar ze schieten hun doel voorbij. Het uiteindelijke doel van alle lijden is het bereiken van Gods eeuwig voornemen. Dat voornemen is ons door de Schrift geopenbaard, maar het kan alleen door lijden in ons verwezenlijkt worden. En de verwezenlijking ervan houdt een experimentele kennis van God in, niet alleen als de levende God, maar ook als de God van opstanding.
De ervaring van elk gered persoon levert op zijn minst enig bewijs dat God de levende God is, maar relatief weinig van de geredden beseffen dat de God die in hen woont de God van opstanding is. Als het onderscheid tussen de levende God en de God van opstanding niet duidelijk voor ons is, zullen er veel problemen ontstaan in onze ervaring als we verder proberen te gaan. Laat me dit onderscheid eenvoudig uitleggen.
De vleeswording markeerde een machtige crisis in het universum. Vóór de vleeswording was God God en de mens mens. Er was geen menselijk element in God, noch was er een goddelijk element in de mens. De twee waren volledig van elkaar gescheiden. Maar op een dag "werd het Woord vlees" en die dag markeerde een keerpunt in de geschiedenis van het universum. Het maakte een einde aan de ene eeuw en luidde een andere in. (Natuurlijk spreken we vanuit ons menselijk standpunt als schepselen van de tijd, niet vanuit Gods standpunt in een tijdloze eeuwigheid).
Met de vleeswording begon een tijdperk waarin God en de mens, de mens en God één werden. De Schrift verklaarde dat het Woord dat vlees werd "Immanuel" genoemd zou worden, wat "God met de mens" betekent. Die naam betekent niet alleen de aanwezigheid van God temidden van een menigte mensen; het betekent Zijn intrede in de mensheid. Wat in Bethlehem plaatsvond was de geboorte van Iemand die een dubbele natuur bezat. God en de mens waren verenigd in die ene Persoon. Tot die tijd hadden alle nakomelingen van Adam slechts één natuur bezeten; na die tijd was er Eén die twee naturen bezat, de menselijke en de goddelijke. Hij was voorwaar mens en Hij was voorwaar God. Die ene, Jezus van Nazareth, die zowel goddelijk als menselijk was, werd een bron van verwarring voor veel mensen. Ze vroegen Hem: "Wie bent U?" En ze vroegen elkaar: “Wat is dit voor een mens?” Ze herkenden duidelijk dat Hij een mens was, maar omdat er zoveel goddelijks aan Hem was, was Hij een probleem voor Zijn tijdgenoten. "Immanuel", 'God gemanifesteerd in het vlees' - dat is de betekenis van de vleeswording!
Maar de vleeswording is slechts de ene helft van het mysterie. De andere helft is de opstanding. De vleeswording is God die in de mens komt; de opstanding is de mens die in God komt. De vleeswording bracht goddelijke inhoud in het menselijke leven; de opstanding bracht menselijke inhoud in goddelijke leven. Na de vleeswording was het mogelijk om te zeggen: Er is een Mens op aarde in wiens leven een goddelijk element is. Maar pas na de opstanding was het mogelijk om te zeggen: Er is een God in de hemel in wie een menselijk element is. Dat is de betekenis van de opstanding!
De ervaring van Christus als het leven
voor de opbouw van de Gemeente
In De Ervaring van Christus als het Leven voor de Opbouw van de Gemeente geeft Witness Lee duidelijk aan hoe belangrijk het is dat elke gelovige Christus ervaart en geniet. Uiterlijke correctie en zelfverbetering mogen dan tijdelijke vruchten afwerpen, zij verdwijnen echter weer net zo snel als ze gekomen zijn.
